Lagere stikstof- en fosfaatexcretie bij Koeien en Kansen-bedrijven dan forfaits
Veel melkveebedrijven moeten mest afvoeren. Om te bepalen hoeveel mest een melkveehouder moet afvoeren, moet de mestproductie en de plaatsingsruimte met elkaar vergeleken worden. Als er via de mest meer stikstof en fosfaat wordt geproduceerd dan op het bedrijf geplaatst kan worden, dan is mestafvoer nodig.
Via een tabel met forfaitaire excretie kan een melkveehouder de stikstof- en fosfaatexcretie per koe afleiden op basis van de gemiddelde melkproductie per koe op het bedrijf, voor stikstof in combinatie met het ureumgehalte.
Om besparing van mestafvoer bij lagere excreties mogelijk te maken, is de Handreiking bedrijfsspecifieke excretie (BEX) ontwikkeld. Hiermee kan een melkveebedrijf aantonen dat ze minder stikstof en fosfaat produceert dan de wettelijke forfaitaire excretienormen. In dat geval is minder mestafzet nodig dan volgens de forfaitaire tabel. BEX is ook onderdeel van de KringloopWijzer.
In 2025 zijn de excretieforfaits voor stikstof verlaagd. Hierdoor wordt het lastiger om met BEX een voordeel te halen. In 2025 was op het gemiddelde Koeien en Kansen-bedrijf de stikstofexcretie 3% lager dan de forfaitaire excretie. De gemiddelde stikstofexcretie op de Koeien en Kansen-bedrijven in 2025 komt uit op 14,3 kilo stikstof per 1000 kilogram melk
Op het gemiddelde Koeien en Kansen-bedrijf in 2025 was de fosfaatexcretie berekend met BEX 16% lager dan de forfaitaire fosfaatexcretie. Door gebruik te maken van BEX moest een gemiddeld Koeien en Kansen-bedrijf in 2025 ongeveer 1455 ton mest afvoeren. Bij toepassen van de forfaitaire productienormen zou dit 1665 ton zijn geweest.