'Aanzuren van mest heeft vooral perspectief bij inzet van zodebemester'
De CDM concludeert dat het aanzuren van mest de ammoniakemissie kan verlagen en potentie heeft om vergelijkbare prestaties te halen als bestaande emissiearme technieken. Het specifieke SyreN-systeem is op dit moment echter nog onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Daarnaast stelt de CDM dat het aanzuren van mest op grasland waarbij gebruik wordt gemaakt van een zodenbemester, mogelijk een groter potentieel heeft om emissies te reduceren dan toediening van aangezuurde mest met een sleepslangensysteem.
De CDM constateert dat het aanzuren van mest als emissiearme aanwendingstechniek nog nader veldonderzoek vraagt, onder andere om het vaststellen van een emissiefactor mogelijk te maken. Daarnaast wijst de commissie op de risico’s bij extra toevoeging van zwavel aan de bodem. Dit brengt beperkingen met zich mee voor de toepassingsmogelijkheden. Verder vraagt dit om een goed systeem van borging en handhaving om de risico’s te mitigeren.
Minister Van Essen ziet met name bij grasland op zandgrond mogelijkheden voor het aanzuren van mest als emissiearme aanwendingstechniek. Zoals de CDM aangeeft, moet er eerst verder onderzoek worden gedaan waarbij er specifiek wordt gekeken naar de Nederlandse situatie, met de verschillende grondsoorten. Een dergelijk onderzoek past volgens de minister goed binnen het vervolg op het programma 'Bemest op z’n best'.
De CDM geeft tot slot aan dat het aanzuren van mest op bouwland minder voor de hand ligt. Enerzijds omdat het injecteren van mest op bouwland tot een zeer lage emissie leidt. Anderzijds omdat het gebruik van aangezuurde mest bij een gemiddelde zuurdosering leidt tot een overbemesting bij de meeste gewassen.
Meer details zijn te vinden in het advies ‘Beoordeling nieuwe techniek van mesttoediening'.